Lichaamstaal bij het geven van catechese

Waar moet je als catecheet op letten, als het gaat om lichaamstaal, gebaren, kleding? Wat zeg je allemaal zonder woorden?

Communicatie verloopt voor een groot deel non-verbaal. Jongeren hebben zich een beeld van de catecheet gevormd op basis van zijn uiterlijk en gedrag, nog voordat hij maar één woord gesproken heeft. Wees je dus als catecheet heel bewust van je non-verbale communicatie en denk eraan bij de voorbereiding van je lessen. Onderstaande punten helpen je om jezelf voor te bereiden en te oefenen in het spreken voor een groep.

  • de kleding
    • kies voor netjes, niet uitdagend, min of meer passend bij de identiteit van de gemeente
    • nog vóór je catechese geeft hebben je catechisanten al een inschatting van je gemaakt
    • wissel kleding voldoende af

  • het gezicht
    • de blik (een donkere of vrolijke blik; zoek direct oogcontact met de jongeren; een vrolijke blik toont enthousiasme; richt je blik niet op slechts op een enkele catechisant)
    • let op je mimiek (gezichtsuitdrukkingen ondersteunen je woorden) 1
    • glimlach (daarmee toon je hartelijkheid – maar soms ook wel verlegenheid)
    • vooral vrouwen moeten hun haar zo verzorgen dat ze niet elke keer een lok moeten weg strijken

  • de houding
    • sta bij de deur als de catechisanten binnenkomen
    • loop rustig het lokaal binnen / naar voren / naar het podium
    • zet je gewicht op beide voeten
    • rechte rug, borst vooruit (niet wiebelen, niet ingezakt staan, een beetje heen en weer lopen kan)
    • losse, licht gebogen knieën
    • schouders ontspannen laten zakken
    • handen losjes bij elkaar (voor de navel) of losjes langs het lichaam (geen armen over elkaar doen)
    • maak goede gebaren
      • intentionele gebaren ondersteunen de woorden
      • niet intentionele gebaren (kriebelen etc.) verstoren je verhaal
    • open houding (zowel bij staan als bij zitten)
    • kijk de jongeren aan (al helemaal als je begint!); sta zo min mogelijk met de rug naar de jongeren toe.
    • gaan de jongeren zelfstandig een opdracht maken of uitvoeren? ga dan zo staan dat je diagonaal door de ruimte kijkt.
    • niet op een bureau gaan zitten en al helemaal niet met je benen wijd
    • bewaar afstand: buig je niet over jongeren heen
    • raak jongeren niet aan, niet om te strelen en niet om te slaan

  • de stem
    • let op je ademhaling (hoog en snel ademen is vermoeiend, want je moet te vaak ademen en te vaak slikken). Wie alleen door de mond ademt (teken van spanning) krijgt een droge mond.
    • intonatie (geeft kleur aan je zinnen, geeft soms zelfs de betekenis aan woorden; maakt luisteren minder vermoeiend) 2.
    • articulatie (maar praat niet te netjes; overarticulatie is niet nodig)
    • varieer in tempo
    • varieer in volume (wissel hard en zacht functioneel af, bij consequent zacht of hard praten verlies je aandacht) 3. Richt je met je stemgeluid op de achterste rij van de jongeren. Die moet jou kunnen verstaan.
    • varieer (als dat functioneel is) in de hoogte van je stem

  • spreek niet te snel en gebruik pauzes
    • een bewuste stilte vangt de aandacht van de jongeren; een stilte vanuit verlegenheid maakt de jongeren juist onrustig
    • gebruik stiltes tussen overgangen van scènes en gebeurtenissen
    • het kan ook midden in een zin (bijvoorbeeld om je volgende opmerking als een verrassing te laten klinken)
    • stiltes zijn ook een denkpauze voor jezelf

  • let in je gedachten niet te veel op leestekens (dan krijg je een verteldreun)

  • gebruik niet te veel klemtonen (een of twee per zin)
    • een klemtoon laat het nieuwtje in een zin horen
    • een klemtoon bepaalt de interpretatie van een zin 4
    • een klemtoon maak je door met je adem een duwtje tegen een woord te geven, maar het kan ook door voor een woord even te pauzeren of door een woord zachter uit te spreken
    • leg liever geen klemtoon op een woord dat zelf al een versterking aangeeft (‘erg’, ‘prachtig’, ‘geen’)

    Voetnoten
    1. Mimiek loopt dikwijls parallel met het maken van gebaren
    2. Als je de volgende zin met de goede intonatie uitspreekt, begrijp je dat intonatie de betekenis tot op grote hoogte bepaalt: ‘morgen morgen zijn de schoenen klaar morgen morgen morgen morgen morgen’. De leestekens, die hier niet toegevoegd zijn, helpen normaal bij de intonatie.
    3. Bij jongeren kun je beter aan de zachte dan aan de harde kant praten; als je hen probeert te overstemmen, gaan zij ook meer geluid maken.
    4. Leg maar eens de klemtoon op verschillende woorden uit deze zin: ‘Mijn rijke oom uit Loenen is vanmorgen met de trein vanuit Amsterdam naar Parijs vertrokken.’



Nog beter in vorm raken?

Wij komen graag langs voor toerusting op maat! Bekijk de dienstenpagina voor ons aanbod of stel je vraag via lydia@goedinvorm.nu.

NEEM CONTACT OP

Heb je een tip?

Deel met ons je idee!

STUUR JE TIP IN