Kerstverhaal - De schuilplaats

Een spannend kerstverhaal over de Schuilplaats die we allemaal nodig hebben. Janos moet met zijn ouders en broertje en zusje vluchten. Het wordt te gevaarlijk voor hen omdat ze christen zijn. Vinden ze op tijd een schuilplaats?

De schuilplaats

‘Fijn, hè Janos’, fluistert Lotzi, ‘lekker weg uit deze nare straat!
Kan de buurman niet meer zien wat we doen.
Zal het lang duren voor we bij oom Sandor zijn?’
‘Ja, vast wel. Misschien moeten we wel drie dagen lopen, of nog langer.
Maar voor Kerstfeest zijn we er wel. Hé, je hebt toch niets tegen Peter gezegd?’
Even is het stil. Dan klinkt het wat aarzelend: ‘Nee… eh… natuurlijk niet’, ’t is maar goed dat het donker is, zodat Janos niet kan zien hoe Lotzi een kleur krijgt. Ook hoort Janos de aarzeling niet. Daarvoor is hij te opgewonden.

Klaar wakker ligt het tweetal op bed. Ze praten over al dat onbekende, over de lange tocht, die ze voor de boeg hebben, over de boerderij van oom Sandor, over… ja, over van alles. Maar ze moeten zacht praten. Zacht, zoals altijd. Het is altijd: oppassen, uitkijken en zo weinig mogelijk zeggen, ook al denk je dat niemand het hoort. Je kunt toch nooit weten…
In de huiskamer zitten vader Tibor en moeder Edith, zwijgend. Moeder kijkt de kleren van de kinderen na, of alles in orde is. Want morgen!...
Af en toe zucht ze diep. Vader merkt het wel. En als moeder klaar is, zegt hij: ‘Wij moeten ook maar vroeg onder de wol kruipen, Edith, want morgen is het vroeg dag.’
En als moeder knikt en weer zucht, vraagt hij: ‘Zie je er zo tegenop? ’t Kàn toch niet langer zo? Ik vertrouw de buurman helemaal niet, nee, we zijn hier niet langer veilig.’
‘Ja, Tibor, dat doe ik. Dat we alles moeten verlaten vind ik erg en ik zie tegen de lange tocht op, vooral als ik aan Anne denk. Ze is nog zo klein. Maar het meest zit ik er over in of het wel goed is wat we doen. Wil de Heere God het zo?’
Na deze woorden blijft het even stil.
‘Niemand zal vermoeden dáár christenen te vinden!’
Moeder zegt niets. Dagen, ja nachten heeft ze er over gepiekerd. Ze heeft aan de Heere om uitkomst gevraagd en is het dan geen uitkomst dat Sandor aanbood: Kom naar ons? Vader vindt van wel. Sandor is zijn enige broer, die ver bij hen vandaan een boerderij heeft.

Vier dagen zijn voorbijgegaan. En ’t gaat goed! Vader heeft adressen van vrienden waar ze de nachten doorgebracht hebben. Daar konden ze uitrusten, kregen eten en deden zo weer nieuwe kracht op voor de lange tocht. Ook het weer is goed. Wel koud, maar daar zijn ze op gekleed. ’t Is in ieder geval droog en elke dag schijnt de zon.
En nu is het de dag voor Kerstfeest. Als alles meezit hopen ze vanavond op de boerderij van Sandor aan te komen.
Nu, dat kan toch zeker wel? De jongens kunnen best uren doorlopen. En moeder ook wel. Anne zit warm ingepakt in een wagentje, dat vader en Janos om de beurt trekken.
Tot Lotzi opeen zegt: ‘Hé, de zon gaat weg. Jammer!’
‘Ja, en ’t gaat harder waaien’, roept Janos.
‘O zeg, misschien gaat het wel sneeuwen’, roept Lotzi uit en z’n stem klinkt verlangend als hij aan sneeuw denkt.
Lotzi roept: ‘Sneeuw is fijn! Kan je lekker spelen op de boerderij. Peter zegt dat het daar veel leuker is dan in de stand, want zijn oom…’
‘Wanneer heb jij daar met Peter over gepraat?’ valt vader hem streng in de rede.
‘O… eh… eh…’, stottert Lotzi verschrikt, maar vader blijft stilstaan, pakt Lotzi bij zijn schouders en kijkt hem strak aan: ‘Geen uitvluchten, jongen. Zeg maar eerlijk: Jij hebt tegen Peter gezegd dat we naar oom Sandor gaan.’
‘Ik heb… ik zei alleen dat ik een oom op een boerderij heb… enne…. dat… we er misschien eh… wel eens naar toe zouden gaan. Ik zei niet wanneer.’
De eerst zo opgetogen Lotzi staat nu zo kleintjes voor vader, met neergeslagen ogen. Vader en moeder hadden immers nog zo gezegd dat ze er met niemand over moesten praten? En Peter is toch z’n vriend! Aan de buurman die niet te vertrouwen is, had hij helemaal niet gedacht, hoewel die man Peters vader is!
‘Jongen toch’, zucht moeder. Stil staan ze bij elkaar op de eenzame weg.
‘Maarre… ‘k heb niet gezegd waar oom Sandor woont’, probeert Lotzi zich nog te verdedigen.
Vader zegt kort: ‘Nou ja, vooruit, laten we maar verder gaan. Lotzi heeft het nu eenmaal gezegd, daar is niets meer aan te veranderen. Zwijgend lopen ze verder.
Hè, vanmorgen vroeg was de stemming zo opgewekt en waren ze zo vol goede moed, en nu?

Het is middag. De lucht is nu helemaal gesloten, maar nog steeds is het droog. Een scherpe oostenwind blaast de eenzame voetgangers in het gezicht. En klagelijk klinkt het vanuit het wagentje: ‘Ik heb het zo koud, ik wil naar huis.’ De weg is langer dan vader dacht. Zullen ze vandaag de boerderij nog bereiken. Anne begint te huilen. Ze stoppen en moeder trekt de deken nog wat meer over het kind en troost: ‘We zijn gauw bij tante Elza, hoor, een daar is een lekker warm bedje voor jou’, maar Anne huilt: ‘Ik wil nu naar bed.’
‘Weet je wat’, zegt vader, ‘laten we de weg door het bos nemen, het zal wel wat om zijn, maar je hebt daar minder last van de wind en er is misschien wel een beschutten plaats te vinden om even uit te rusten.’
Al spoedig slaan ze linksaf en komen in het grote bos, waar het al wat schemerig is, maar waar het lang zo koud niet lijkt.
‘We moeten niet te ver van de grote weg afwijken’, zegt vader.
Anne vergeet even haar verdriet en lacht zelfs als de jongens, die steeds vooruit hollen en achter grote bomen wegkruipen, opeens tevoorschijn komen. Maar als het donkerder wordt, zegt vader: ‘Nu bij on blijven, jongens, anders zijn we jullie straks werkelijk kwijt.’
Ja, dan wordt óók de weg door het bos eentonig en Anne voelt de kou weer en de jongens hun vermoeide voeten. Ook krijgen ze honger. Speurend gaan hun ogen tussen de donkere bomen door of ze een plekje kunnen binden om even te rusten. Janos loopt wat vooruit, duwt hier en daar wat takken weg en roept ineens: ‘Hier is een mooie plaats! Net een soort hol, zeg!’ En inderdaad, het is een kuil, met wilde takken overgroeid. Vader belicht het met een zaklamp en zegt: ‘Ja, dit is een mooie schuilplaats, precies uit de wind. Laten we hier maar even uitrusten.’ Moeder spreidt een deken uit op de grond en in een kringetje zitten ze bij elkaar. Gelukkig hebben ze nog wat eten en drinken. Dat smaakt! Jammer dat het zo gauw op is. Anne ligt met haar hoofd op moeders schoot en het duurt niet lang of ze slaapt. Ook Lotzi is languit op de grond gaan liggen.

‘Nu nog heel even uitrusten, maar dan moeten we toch echt weer verder’, zegt vader. ‘k Had gedacht, zolang het droog is toch maar weer over de grote weg te gaan, dat schiet sneller op. Als het straks helemaal donker wordt, weet je hier in het bos ook geen weg. Laten we dan nu maar weer opstappen.
‘Ja’, zucht moeder, ‘het is wel jammer, de kinderen slapen zo rustig.’
‘Ik niet!’ klinkt helder de stem van Janos, ‘ik wil best weer verder.’ Meteen komt hij overeind. ‘Zal ik dit pad even uitlopen en kijken waar we het beste heen kunnen? Verdwalen, hoe kan dat nou! Ik kom toch meteen terug’, zegt Janos.
‘Ja, doe dat maar’, antwoordt vader, ‘dan maken wij ons intussen klaar voor de verdere tocht. Maar je gaat beslist niet verder dan dit pad, hoor. Is er niet gauw een zijpad naar rechts, dan moeten we maar weer een eindje terug om op de grote wet te komen.’

Janos holt al weg. Het wordt als aardig donker. Het pad wordt smaller en nog steeds kan hij niet rechtsaf. Hé, is dat geen pad? Wel smal, maar wie weet bereik je zo de grote weg. Even een eindje dat pad oplopen, kijken of het goed begaanbaar is. Ja hoor, ’t is smal, maar je kunt er goed lopen. Waar zal het uitkomen? Eigenlijk moet hij terug, maar hij is zo benieuwd. Als hij hard loopt, is hij zo weer terug! Dan ziet hij tussen de bomend door dat het wat lichter wordt. Zie je wel, hij is vast dicht bij de grote weg. Het pad maakt een flauwe bocht en opeens… opeens staat hij op een brede weg. Is dat even gauw gevonden! nu snel terug en vertellen hoe ze moeten lopen om op deze weg te komen. Hij keer zich om en wil alweer gaan hollen, als hij opeens een auto hoort, dichtbij al en schrikt als het door de stilte klinkt: ‘Toetoet, toetoet.’ Met een ruk kijkt hij om en ziet hoe de auto afremt en een man het raampje open draait en naar hem roept: ‘Weet jij hier de weg?’ Razendsnel gaan zijn gedachten en de pientere Janos weet: Voorzichtig zijn, je weet maar nooit! En hij mompelt iets van: Ja. Hij draait zich om en wil weglopen.

‘Hé luister, nog één vraag’, roept de man en aarzelend blijft Janos weer staan. ‘Heb jij soms een man en vrouw met drie kinderen gezien?’ Deze vraag doet Janos het bloed naar de wangen stijgen. Een man en vrouw met drie kinderen? Wie… wie… kan deze man anders bedoelen dan hen? O ja, hij bedoelt vast hen! Janos twijfelt er niet aan. En hij ziet de doordringende ogen van de man… ‘Nee!’ klinkt het dan hard en z’n stem slaat over. Meteen holt hij weg, het smalle pad weer op. Wegwezen, zo gauw mogelijk vader en moeder waarschuwen! Ze zoeken ons! Goed dat de auto hem hier niet kan volgen. Maar… maar… wat is dat voor een bons? Een dichtslaand portier van een auto? Zal… o, zal die man hem achterna komen? Hoort hij voetstappen achter zich? Het lijkt of angst zijn keel dichtknijpt en er komen zweetdruppels op zijn voorhoofd, ondanks de kou. Komt er nu nooit een eind aan dit smalle pad? ’t Wat net toch veel korter.
‘Hé, wacht eens’, hoort hij achter zich. Zie je wel, die man komt hem achterna! Blindelings holt hij verder. Zal die man al dicht bij zijn? Hoort hij nu zijn voetstappen al? Was hij maar bij vader.
‘Staan!’ buldert de stem achter hem, ‘want anders…’
En ’t klinkt dichterbij! Straks zal die man hem inhalen en dan… dan… Hij moet die man kwijt zien te raken. In zijn angst schiet hij linksaf de donkere struiken in. Takken zwiepen in zijn gezicht, maar hij voelt het niet. Het is hier donker, heel donker en met bonzend hart blijft hij achter een dikke boomstam stilstaan. Hij kan niet meer! Vermoeid laat hij zich op de grond glijden, leunend tegen de ruwe stam. De wind maakt een fluitend geluid door de takken. Verder is het stil. Nee, hier zal de man hem niet vinden. Daarvoor is het te donker. Langzaam aan gaat z’n hart wat rustiger kloppen. Hij zucht diep. Dan denkt hij aan vader en moeder. Zij zullen ongerust worden, nu hij zo lang weg blijft. Misschien gaat vader hem zoeken… maar o, wie weet komt vader die man tegen. Dat mag niet. Hij moet hen zo gauw mogelijk waarschuwen! Maar, waar moet hij heen? Aan dat smalle pad kwam net geen eind, het was veel langer dan op de heenweg. En de altijd zo moedige en dappere Janos wordt opeens zo moedeloos. Het is al zo donker geworden. En tot zijn schrik bemerkt hij opeens dat het gaat sneeuwen. Hard… steeds harder…! Zo gaat daar in dat grote, donkere bos een eenzame jongen tastend, zoekend. Roepen durft hij niet, hoe graag hij ook zou willen: Vader, vader! Maar in zijn hart klinkt wel een roep: O Heere, helpt U mij! Want van wie is er ander hulp te verwachten?

‘O Tibor, waar zal Janos toch zijn?’ Wanhopig klinkt moeders stem als ze deze vraag voor de zoveelste keer stelt. ‘Had hem toch maar niet laten gaan.’
Vader zwijgt. Hij staat voor de opening van de schuilplaats. De sneeuwvlokken jagen langs hem heen. Zal hij nog eens gaan zoeken? Stel je voor dat hij zelf verdwaalt. Dan zijn er twee zoek, terwijl moeder hier alleen met Lotzi en Anne zit en niets kan beginnen. Achter zich hoort hij moeder snikken. Hij keert zich om en gaat weer zitten.
‘Edith’, klink vaders stem dan zacht, ‘laten we tot de Heere bidden of Hij Janos terug wil brengen en ons de weg wil wijzen. Hij alleen kan ons helpen.’ En in de eenzame, donkere schuilplaats bidden vader en moeder vurig of de Heere uitkomst geeft en hun jongen terugbrengt. Het wordt rustiger in hun hart als ze gebeden hebben. ze mogen het aan de Heere overgeven, vertrouwende dat Hij machtig is hun kind weer terug te brengen.

Hoe lang heeft Janos al gelopen? Hij weet het niet. Het sneeuwen is wat minder geworden. Nu alles wit ziet, is het zo vreemd. Als in een droom loopt Janos voort, z’n hoofd bonst en ’t is net of hij niet goed meer kan denken. Maar opeens denkt hij dan weer aan de boerderij van oom Sandor. Met Kerstfeest zullen ze er zijn. Maar, ’t is al gauw Kerstfeest en de boerderij is nog ver! Oom Sandor gelooft niet in de Heere Jezus, weet hij. En dan kan je toch ook geen Kerstfeest vieren? Waarom moeten ze dan met Kerstfeest op de boerderij zijn? Daar is de Heere Jezus immers niet? De Heere Jezus was in een stal, dáár is Hij geboren. Maar dat is allang, al heel lang geleden. Nu is de Heere Jezus in de hemel, maar Hij kan toch in je hart komen wonen, daar vraagt Janos altijd om, want dan wordt het echt Kerstfeest.

Zo dwaalt Janos door het grote bos, al maar verder, dromend en toch wakker. Tot het opeens weer harder gaat sneeuwen. Janos schrikt en kan meteen weer helder denken. O, waar zal hij toch zijn? Waar zijn vader en moeder, Lotzi en Anne? De sneeuwvlokken dwarrelen in zijn gezicht. Hij zal helemaal onder sneeuwen, hij zal…! ‘Vader… help…’ schreeuwt hij zomaar opeens en denkt niet meer aan gevaarlijke mannen die hem zoeken, en nog een klinkt het: ‘Vader!’ zijn stem is hees en het klinkt zo zwak in het grote, stille bos. Wie zal hem horen? Hij houdt z’n arm voor z’n ogen, die sneeuw prikt zo! Tot hij plotseling ergens tegenaan botst. ‘Vader, moeder!’ roept hij verschrikt. Wat is dat? Een boom? Nee, het klinkt zo… zo… Hijgend blijft hij er tegenaan leunen, met gesloten ogen. Totdat hetgeen waartegen hij leunt zomaar weggaat, o… wat vreemd… wat raar…! Janos verliest zijn evenwicht en valt voorover. In een flits ziet hij een licht, een paar benen en een zware stem zegt: ‘Wie ben jij?’ Janos wil zich oprichten, maar alles draait om hem heen, ’t wordt donker voor zijn ogen. Hij wil wat zeggen, wat roepen, maar er komt geen geluid uit zijn keel. Een paar sterke armen tillen hem op, leggen hem neer op wat zachts en doen z’n jas uit, die onder de sneeuw zit. Janos merkt het niet.

Tot Janos langzaam, heel langzaam bijkomt en zacht kreunt. Iemand buigt zich over hem heen. Janos knippert met z’n ogen en kijkt. Hij ziet vlak boven zich een gezicht, een gezicht met grijs haar en een grijze baard. Hij schrikt! Waar is hij? Wie is dat? En alles dwarrelt door z’n gedachten. Hun vlucht, de boerderij, de man uit de auto, Kerstfeest. Hij wil weg… naar vader en moeder! Angstig kijkt hij in een paar vriendelijke ogen. ‘Ik… ik moet weg’, wil hij hard roepen, maar ’t komt er zo zacht en moe uit.
‘Stil maar, jongen, kom eerst maar wat bij en dan zal ik je wel thuisbrengen. Hier, drink eens’, zegt de oude man rustig en pakt een kom van tafel. Vol verbazing kijkt Janos rond, waar is hij toch terechtgekomen? Hij ligt in een kleine kamer, waar een kachel gezellig snort. Tegen de muur staat een tafel met een paar stoelen eromheen. In de hoeken van de kamer is het donker, maar de olielamp op tafel straalt een zacht licht uit en werpt z’n stralen over een dik boek dat op tafel ligt. Janos zucht diep. Wat voelt hij zich moe! Gewillig drinkt hij de kom leeg die de man hem voorhoudt. ‘Zo jongen, nu moet je maar eens vertellen hoe je in het bos terechtgekomen bent. Ben je soms verdwaald?’ Janos aarzelt. Mag… kan… hij zomaar alles vertellen? Dat kan immers niet tegen vreemden. Je weet nooit…! De man staat opeens op, pakt het dikke boek van de tafel, komt weer bij Janos zitten en houdt hem het boek voor. ‘Als het hierom gaat, vertel dan alles maar, jongen. Hier ben je veilig. Ja, dan denk ik dat de Heere je hier bracht!’ Met grote ogen kijkt Janos naar de Bijbel, hij hoort deze woorden en z’n hart bonst van blijdschap. Deze man is net als zij! Hij heeft zelfs zomaar de Bijbel op tafel liggen! O, maar dan kan hij wel alles, alles vertellen. En Janos vergeet zijn moeheid en gaat vertellen. ’t Wordt een lang verhaal, wat verward soms, maar de man luistert rustig en knikt af en toe nadenken. Bijna is Janos klaar, als ze opeen opgeschrikt worden doordat iemand aan de deur rammelt. ‘Oooh!’ klinkt Janos’ stem vol bange schrik, ‘misschien is het die man!’ Hij hoort hoe buiten iemand iets zegt, wàt verstaat hij niet. En wat Janos dan ziet. Hij gooit de deken van zich af en vliegt overeind.
‘Vader! Moeder!’
‘Janos, jongen!’ Hij valt in moeders armen. Even is het heel stil. Van verwondering weet niemand iets te zeggen. Tot Lotzi de stilte verbreekt door verwonderd te vragen: ‘Is oom Sandor al zo oud?’ En ondanks de spanning en ernst moeten de groten toch even glimlachen als Lotzi de oude man voor oom Sandor aanziet.

Met z’n vieren zitten ze om de tafel. Lotzi en Anne slapen. Hoewel Janos moe is, mag hij toch nog even bij de groten zitten en moet hij nog eens vertellen hoe het gegaan is. Met glanzende ogen luistert Janos naar het verhaal van zijn vader en moeder, hoe die na lang zoeken plotseling het huis van deze oude Simeon hebben gevonden. dan zegt moeder: ‘Ik had altijd al zo’n bang voorgevoel dat het niet goed zou zijn om een schuilplaats te zoeken bij iemand die de Heere niet vreest en niet in Zijn Woord gelooft. Dat kan niet goed zijn. En wat is de Heere goed, dat Hij door z’n bange weg ons hier bracht.’ Vader knikt, ja, zo mag hij het nu ook zien. De oude Simeon kijkt hen één voor één aan en zegt ernstig: ‘Jullie blijven voorlopig maar hier, nog nooit is deze verlaten woning ontdekt door de vijand. Of dat nooit zal gebeuren? Ik weet het niet. Eén ding weet ik wel: er is een Schuilplaats, waarin we veilig zijn, wat er ook gebeurt. Die Schuilplaats is de Heere Jezus, dat is zo’n veilige Schuilplaats, Die redt van alle zonden, ja Die geeft het eeuwige leven. Janos, jij bent nog zo jong, wat zal je allemaal nog mee moeten maken? Zoek vroeg die veilige Schuilplaats, jongen, Hij zal je nooit begeven, nooit verlaten.’

Het is al laat. Maar er wordt aan geen tijd gedacht als ze met elkaar spreken over het wonder van Kerstfeest, over de enige veilige Schuilplaats, die te vinden is bij het Kind in Bethlehems stal. Zo wordt er Kerstfeest gevierd, niet op een grote boerderij, waar men meende veilig te zijn, maar in de eenvoudige, verscholen woning van de oude Simeon. Janos luistert stil en in zijn jonge hart voelt hij: Dit is echt Kerstfeest. Jezus is geboren. Dat is de blijde boodschap. God vergeet ons niet. Als een baby kwam Hij, arm en in een stal. Niemand had plaats voor de Redder van ’t heelal. Armen, maar ook rijken knielden voor Hem neer. Zo lief had God ons mensen, dat Hij Zijn Zoon gaf. Ieder die dat gelooft, heeft toegang tot Gods troon!

De sneeuw dwarrelt in dikke vlokken neer. Het is stil in het grote bos. De nacht komt. Als eindelijk de mensen zich naar hun slaapplaats begeven, voelen ze zich wonderlijk gelukkig, er is blijdschap in hun hart. Janos trekt de deken ver over zich heen. Wat een fijne avond was het, na zo’n bange toch. Stel je voor, dat hij nu nog in het eenzame bos liep. Brrr! Hij voelt zich hier heel veilig. Maar Simeon had het over de aller veiligste Schuilplaats, over de Heere Jezus. En zomaar in het donker, onder de dekens, vouwt Janos zijn handen en bidt: ‘Heere, mag ik ook die Schuilplaats vinden? Wilt U het Kerstfeest maken in mijn hart, om Jezus’ wil. Amen.’




Nog beter in vorm raken?

Wij komen graag langs voor toerusting op maat! Bekijk de dienstenpagina voor ons aanbod of stel je vraag via lydia@goedinvorm.nu.

NEEM CONTACT OP

Heb je een tip?

Deel met ons je idee!

STUUR JE TIP IN

Kerstverhalen

Meer

De glinsterende kerstbal

22 november 2020
Dit kerstverhaal is een resultaat van een kerstverhalenwedstrijd, georganiseerd door de Puntuit en de jeugdbonden HHJO, JBGG, LCJ en HJW. De verhalen …
+
Ontwikkeld door

De vergeten oorlog

22 november 2020
Dit kerstverhaal is een resultaat van een kerstverhalenwedstrijd, georganiseerd door de Puntuit en de jeugdbonden HHJO, JBGG, LCJ en HJW. De verhalen …
+
Ontwikkeld door

Een geheime, eigen Bijbel

22 november 2020
Dit kerstverhaal is een resultaat van een kerstverhalenwedstrijd, georganiseerd door de Puntuit en de jeugdbonden HHJO, JBGG, LCJ en HJW. De verhalen …
+
Ontwikkeld door

Een kleurrijke kerst

22 november 2020
Dit kerstverhaal is een resultaat van een kerstverhalenwedstrijd, georganiseerd door de Puntuit en de jeugdbonden HHJO, JBGG, LCJ en HJW. De verhalen …
+
Ontwikkeld door

Het mandje in de sneeuw

22 november 2020
Dit kerstverhaal is een resultaat van een kerstverhalenwedstrijd, georganiseerd door de Puntuit en de jeugdbonden HHJO, JBGG, LCJ en HJW. De verhalen …
+
Ontwikkeld door

Kerst op de kinderafdeling

22 november 2020
Dit kerstverhaal is een resultaat van een kerstverhalenwedstrijd, georganiseerd door de Puntuit en de jeugdbonden HHJO, JBGG, LCJ en HJW. De verhalen …
+
Ontwikkeld door

Uitgelichte items

Avondmaal

30 oktober 2020
Het Avondmaal laat zien dat de Heere Jezus Zijn lichaam en bloed geofferd heeft tot vergeving van de zonden. Als je door het geloof het Avondmaal …
+
Ontwikkeld door

Belijdenis doen

5 januari 2021
Ik zou het als een grote zegen zien als jij door deze inleiding een verlangen krijgt naar het doen van openbare geloofsbelijdenis, omdat de Heere …
+
Ontwikkeld door
LCJ

Stel je eigen inspiratielijst samen

Voeg met behulp van het gele plusje items toe aan je inspiratielijst. Alles in één lijstje overzichtelijk bij elkaar voor jouw clubavond of activiteit!